Toespraak
Dodenherdeninkin in Bloemendaal. (Foto: Bjorn V | CC/Flickr.com)
Toespraak
Over deze foto
Beeld gemaakt tijdens de Dodenherdenking in Bloemendaal.

Begrip tussen volken is geen project

Begrip tussen volken is geen project

Begrip tussen volken is geen project

Ter gelegenheid van de Nationale Dodenherdenking hield Andrée van Es, voorzitter van de Nederlandse Unesco Commissie, op de Universiteit van Utrecht de volgende toespraak. 

Dames en heren,

Dank voor uw uitnodiging hier met u de slachtoffers te herdenken die bij u, aan de Utrechtse Universiteit zijn gevallen in de Tweede Wereldoorlog.

Ik neem u mee naar de nadagen van een andere oorlog, de Koude Oorlog. In de zomer van 1996 zat ik met mijn toen 8-jarige zoon op de publieke tribune van een statige vergaderzaal in Stockholm, Zweden. In de zaal was een stevige discussie gaande over een toen vanzelfsprekend urgente kwestie: moest de NAVO, de Noord Atlantische Verdrags Organisatie, worden uitgebreid met de Oosteuropese landen? En hoe zou na de koude oorlog de relatie worden vormgegeven met de voormalige vijanden? De Muur was immers gevallen in 1989, het Warschaupakt, de militaire tegenhanger van de NAVO, Pakt van de voormalige Sovjet-Unie en de Oosteuropese staten, was ontbonden.

Bijeen was de zogeheten parlementaire assemblee van de NAVO. Parlementariërs uit alle lidstaten spreken jaarlijks met elkaar. De voertaal was Engels, mijn zoon kon de sprekers niet verstaan, maar hij voelde aan dat er iets belangrijks gaande was. “Wie heeft gelijk?”, vroeg hij indringend en: “Wie heeft gewonnen?” Niet in de vergaderzaal, maar wel in de wandelgangen waren parlementariërs aanwezig uit die voormalige zogeheten Oostbloklanden. En ook uit Rusland. Van twee kanten werden de NAVO-assembleeleden bestookt. Er werd gepraat als Brugman, gezocht naar een toekomst die meer door samenwerking dan door de dreiging van vijandschap en verdeeldheid zou worden bepaald. Er vielen harde woorden, er stond veel op het spel, er was volop frustratie over de botheid van deze of gene. Maar voorzichtig werden ook vriendschappen gesloten. Het was een bijeenkomst in een roerige periode, waarin internationale samenwerking eindelijk de wind mee leek te hebben.

Ik ben geboren in 1953, acht jaar na het einde van de Tweede Wereldoorlog. In mijn jeugd heb ik dat ervaren als een ver verleden, waarin mijn ouders en grootouders, de buren, hun vrienden, geleden hebben, bang zijn geweest en soms dapper. Pas later drong tot mij door hoe kort dat eigenlijk is, acht jaar. Hoe flinterdun de scheidslijn tussen vooroorlogs en naoorlogs. Voor mij heeft dat als vanzelfsprekend meegebracht de behoefte me te verdiepen in het vooroorlogse: hoe was het toen, hoe kwam het zover? Hoe zou ik zelf handelen? Zou ik mensen beschermen met gevaar voor eigen leven? Dat deel ik met generatiegenoten, zo merk ik vaak. Toen wij klein waren, werd thuis en op school nog veelal gezwegen over de verschrikkingen van de oorlog. Wij vinden het belangrijk onze kinderen daar meer over mee te geven. Wat kunnen we doen om te voorkomen dat het ooit nog zover komt, in ons stukje van de wereld, inmiddels één van de kleiner wordende stukjes waar het sinds 1945 vrede is gebleven. Met het herdenken op 4 mei en op 15 augustus, toen de tweede wereldoorlog echt voorbij was, eren wij onze ouders en grootouders, maar we doen dat voor onze kinderen.

Wij herdenken hier op 4 mei, in de oude en eerbiedwaardige institutie die de universiteit van Utrecht is, de slachtoffers van de tweede wereldoorlog. We denken met pijn in ons hart aan de periode 1940-1945, zusteruniversiteiten in buurland Duitsland zullen zeggen: in de periode 1933-1945, waarin internationale samenwerking, of rechtstatelijke principes, medemenselijkheid en vertrouwen in een vreedzame toekomst ver weg waren, vertrapt op een onvoorstelbaar gewelddadige manier. Wij kunnen ons niet meer voorstellen dat, volgend jaar al weer 80 jaar geleden, Joodse medewerkers en studenten weg werden gestuurd van de universiteit. In 1935 berichtte schrijver Joseph Roth uit Parijs, waar hij als vrijwilliger voor een vluchtelingencomité actief was, aan zijn vriend Stefan Zweig: “de ziekelijke neiging om Joden te vernederen stamt niet van vandaag of gisteren; het staat vanaf dag één op het programma van het Derde Rijk […].” “De Volkenbond”, zo schimpte Roth, “bestond al helemaal niet meer, evenmin als het wereldgeweten”.

In het vorig jaar verschenen De Rechtvaardigen, van Jan Brokken, ondertitel: ‘hoe een Nederlandse consul duizenden Joden redde’, beschrijft de auteur een stukje van een gemeenteraadsvergadering in Łódź in Polen in1937. Raadslid Isaac Lewin tekende protest aan, toen op straat een 23-jarige Joodse man zonder enige aanleiding werd doodgestoken: “We staan niet toe, dat in onze straten een onschuldige Jood wordt vermoord”. De reacties waren schokkend: “Het is nodig dat alle Joden worden vermoord. Jullie dagen zijn geteld”, riep de woordvoerder van het Nationale Radicale Kamp. Het deed mij denken aan de dagen die ik, ergens in de jaren tachtig van de vorige eeuw, in die tijd was ik lid van de Tweede Kamer, doorbracht in de zogeheten Handelingenkamer. Daar stonden, en naar ik aanneem, staan, ondanks de digitalisering, nog steeds alle letterlijke verslagen van kamerbesprekingen en bijbehorende parlementaire stukken. Ik was woordvoerder justitie. Hier, in Utrecht, had ik als student aan de juridische faculteit, het vreemdelingen-en vluchtelingenrecht kunnen bestuderen, het onderwerp ging mij zeer aan het hart. Ik was op zoek naar de kamerdiscussies over vluchtelingen in de dertiger jaren van de vorige eeuw. Hoe werd voor de oorlog over vluchtelingen gesproken in het Nederlandse parlement? De geschiedenis van de Wieringermeer, waar Joodse vluchtelingen uit Duitsland werden gehuisvest, met bijbehorende werkplicht. De koude maatregelen om de grens met Duitsland te sluiten voor vluchtelingen uit het buurland, waar na 1933 het leven van de Joden en van politieke tegenstanders van het Nazi-bewind steeds angstiger werd. In de Handelingen van de Tweede Kamer ging het in die jaren vóór 1940 over de last voor de samenleving die de vluchtelingen veroorzaakten, Nederland kon er niet te veel opvangen, ze moesten zich niet vrij kunnen vestigen in het land en vooral geen banen van Nederlanders afpikken. De NSB spuide antisemitische propaganda.

Het was vreemd en beangstigend om dezelfde woorden te lezen, die ik in mijn kamerdebatten over vluchtelingenbeleid ook hoorde, in de wetenschap dat het toén was uitgelopen op moord op miljoenen Joodse Europeanen. Ik ben een kind van het ‘Nooit meer oorlog’, van de fantasierijke leuze van de vredesbeweging: ‘stel je voor dat het oorlog is... en niemand gaat erheen’. Van het vertrouwen ook, dat er een tijd zou komen waarin wij allen wereldburgers zijn, gelijkwaardig en solidair.

Ik heb hier in Utrecht aan de universiteit voor het eerst kennisgemaakt met het recht van internationale organisaties, van de VN tot de toen nog Europese Economische gemeenschap. De drijfveren van de oprichters waren steevast: het voorkomen van nieuwe oorlogen. Toch schreef Joseph Roth in 1935: “als hij (de Volkenbond) nog geen oorlog kan stoppen, kan hij toch geen pogroms verhinderen?” Kernachtiger heb ik het zelden verwoord gezien of gehoord. De slinger tussen vertrouwen en cynisme, tussen het geloof in grenzeloze samenwerking voor de vrede tussen volkeren en de harde werkelijkheid van onmachtige instituties is een constante voor wie de wereld van internationale organisaties overziet. Daar, in de vergaderkamers van het internationaal overleg, wordt de les geleerd dat het nooit gaat over het bereiken van een ideale toestand (een utopie, een maakbare wereld!), maar dat het gaat om het blijvend, langdurig, vaak frustrerend in gesprek blijven. Dat het gaat om het vertrouwen dat er steeds kleine stapjes gezet kunnen worden, maar dat het ideaal nooit zal worden bereikt. En dat onderweg gefaald wordt, dat gecorrumpeerd wordt, dat vuile handen worden gemaakt en dat de aantrekkingskracht van een populistisch, in dit verband: nationalistisch discours altijd op de loer ligt. Daar zijn vele voorbeelden van. Het dreigende echec van de Europese Unie, de Brexit, het democratisch tekort laten zien dat internationale samenwerking echt iets heel anders is dan schaalvergroting. Iets anders dan een bestuurlijk ‘project’ met een kop en een staart en afrekenbare doelen. Ik deel met u enkele voorbeelden van die slinger tussen vertrouwen en cynisme.

De vorig jaar overleden voormalig Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties Kofi Anan was voor mij een verpersoonlijking van het vertrouwen in internationale samenwerking. Toch zal zijn naam altijd verbonden zijn aan het drama in Rwanda in 1994. 70% van de Tutsi-bevolking en vele duizenden gematigde Hutu’s werden vermoord door Hutu-milities, opgehitst door haatpredikers. De VN en de Veiligheidsraad hebben het niet voorkomen. Dikke evaluatierapporten zijn er over geschreven. Het meest is me daarvan bijgebleven dat een envelop met informatie over de dreigende situatie, met de noodkreet dat de internationale gemeenschap en vooral de internationale vredesmacht in de regio, snel moest interveniëren, ongeopend op een stapel op een bureau in New York bleef liggen. Dat de al in 1936 tot stand gekomen Conventie over het gebruik van de radio in het belang van de vrede geen partij was voor de oorlogspropaganda van de radiozenders in het Grote Merengebied, dat is dan nog slechts een voetnoot in deze tragedie.

Toch bekruipt ook hier mij soms het gevoel 'van de moeizame kleine stapjes', die de vooruitgang bijna onherkenbaar maken.
– Andrée van Es –

De VN-organisatie waaraan ik verbonden, als voorzitter van de Nederlandse Unesco Commissie, is Unesco. Het is de wereldorganisatie voor onderwijs, cultuur, wetenschap en informatie en communicatie. Net als de VN opgericht na de Tweede wereldoorlog, net als de VN met de Volkerenbond had ook Unesco een voorloper, de Internationale Commissie voor Intellectuele samenwerking. In de publicatie ‘Een halve eeuw Unesco’ wordt melding gemaakt van een briefwisseling tussen een vooraanstaand lid, Albert Einstein, aan een ander even vooraanstaand lid, Sigmund Freud. Einstein schreef dat het probleem van de oorlog hem, als “mens die vrij is van aandoeningen van nationale aard” in de grond vrij eenvoudig voorkwam. ‘Staten hebben een wetgevende en rechtsprekende overheid om conflicten tussen mensen op te lossen. Waarom is er dan geen bovenstatelijk gerechtshof om conflicten tussen staten op te lossen?’ Er was een wereldoorlog voor nodig. Freud en Einstein moesten eerst nog vluchten voor de Nazi’s. Een Internationaal Gerechtshof kregen we na de oorlog in 1946. En oorlogstribunalen: het Neurenbergtribunaal, het Tokiotribunaal. De Nederlandse rechter in het Tokiotribunaal Bert Röling verzuchtte in 1947: “het heeft allemaal zo weinig meer met recht te maken, het is allemaal zo plompverloren vuile politiek, dat ik me schaam hierin betrokken te zijn”. Zijn zoon Hugo Röling beschreef de worsteling van zijn vader in het boek “De rechter die geen ontzag had”. Toch is de wereld er sindsdien stap voor stap in geslaagd te komen tot een Internationaal Strafhof, voor het vervolgen van personen die verdacht worden van genocide, misdaden tegen de menselijkheid en oorlogsmisdaden. Nog steeds veel te weinig staten hebben het Hof erkend, de VS voorop. Stap voor stap, denk ik altijd weer, soms zelfs stappen terug, rechtstatelijkheid, zeker internationale rechtstatelijkheid, moet stap voor stap veroverd en verdedigd worden.

In 1945 al vond ook de oprichtingsvergadering van Unesco plaats. Sterk in de geest van ‘nooit meer oorlog’. Als missie van Unesco werd in de constitutie opgenomen: ”Since wars begin in the minds of men, it is in the minds of men that the defenses of peace must be constructed”. Het bevorderen van het vrije gedachtenverkeer was het doel, het bevorderen van begrip tussen de volkeren door massacommunicatie, toegankelijk onderwijs en spreiding van kennis en cultuur. Bijna alle landen in de wereld zijn lid van Unesco. Wie rondloopt in de gangen van het Unesco-gebouw in Parijs, raakt onder de indruk. Van de architectuur, van de kunst uit alle streken van de wereld, van de talen uit alle streken van de wereld, van de gesprekken tussen andersdenkenden. Van de olijfboom, die als klein boompje in de tuin is geplant als aandenken aan de moord op de Israelische premier Rabin in 1995. Onder de indruk ook van de bereidheid om met kleine stapjes (daar zijn ze weer) vooruitgang te boeken. Er is grote aandacht voor diversiteit, voor de interculturele dialoog, voor het belang van de verschillende talen, de bescherming van kleine talen ook. Aandacht voor de vrijheid van meningsuiting en dus voor de bescherming van journalisten. Aandacht voor de onderwijsdoelstelling in de duurzame ontwikkelingsdoelen van de Verenigde Naties: verzeker gelijke toegang tot kwaliteitsvol onderwijs en bevorder een leven lang leren voor iedereen. Toch bekruipt ook hier mij soms het gevoel van de ‘plompverloren vuile politiek’. Of, minder heftig, van de moeizame kleine stapjes die de vooruitgang bijna onherkenbaar maken. Ik denk aan de Toren van Babel. Het bijbelverhaal wil, dat de bouwers gestraft werden voor hun overmoed, hun ambitie om beroemd te worden door het bouwen van een toren die tot in de hemel zou reiken. De Heer bracht spraakverwarring teweeg, waardoor zij elkaar niet meer begrepen. Einde project.

Het begrip tussen de volkeren is niet een project, zoals men bijvoorbeeld voor de oorlog in de Volkerenbond het Esperanto in het onderwijs wilde invoeren. Het wereldwijd invoeren van de kunsttaal zou de oplossing moeten en kunnen zijn voor het onbegrip tussen anderstaligen, zo dacht men toen. Ik lees Willem Witteveen, de in 2014 in de MH17 boven de Oekraïne omgekomen rechtsfilosoof en lid van de Eerste Kamer. Zijn nagelaten grote werk is De wet als Kunstwerk. Meesterlijk toont hij aan dat waar het bouwen van een nieuwe wereld (de Toren) een doel op zich wordt, een project, dat daar ontmenselijking dreigt. Het gaat juist om het leren waarderen van de ‘Rule of law’, van de rechtstatelijkheid, van de democratie, waarin de wet verankerd is. Om het proces, waarin een ieder zich gezien weet, waarin diversiteit bestaat en de de besluitvormers niet anoniem zijn. Het gaat, in internationale samenwerking dus niet om de vraag die mijn zoon stelde toen hij acht was: wie heeft gewonnen? Het gaat waarschijnlijk veel meer om die gesprekken, ook met stemverheffing, in de wandelgangen, zoals daar in Stockholm in 1996, die soms tot vriendschap kunnen leiden